Plusquamperfectum - VVT

We gebruiken de voltooid verleden tijd niet vaak, maar juist in de spreektaal hoor je deze tijd toch vaak voorbij komen. Grammaticaal lijkt deze tijd op het perfectum. Je hebt een voltooid deelwoord (gedaan, gelopen, gehad, ontwikkeld, verkocht) en een hulpwerkwoord, meestal hebben of zijn, en dan in de verleden tijd: was, had, waren, hadden. Je krijgt dus bijvoorbeeld:

  • hij had het gedaan
  • waren we daar al eens geweest?
  • Ze hadden dat nooit moeten doen.

 Ik vind het filmpje van Verbeter je Nederlands met Hanneke van CVO Lethas heel erg handig om uitleg te krijgen. Zij geeft een paar handige regels over het gebruik van deze tijd.

Situaties waarin je plusquamperfectum gebruikt

Situaties waarin je

  1. twee acties in het verleden, de ene langer geleden (in plusquamperfectum) en de andere korter geleden (in imperfectum, maar kan ook in perfectum, niet in presens)
  2. een actie in het verleden die niet is gebeurd, terwijl dat wel had gemoeten; gecombineerd met een modaal werkwoord (moeten, kunnen, willen, mogen)
  3. een actie waar je spijt van hebt; vaak in combinatie met maar. Ik denk dat het ook een situatie kan zijn waarin de actie anders zou kunnen lopen
Voorbeelden

Situatie 1 - twee acties in het verleden en de ene is langer geleden dan de andere

  • Nadat Napoleon de slag had gewonnen, at hij kip Marengo
  • Hij had mijn auto met een sponsje gewassen en daarna zaten er krassen op
  • Toen Maxima over Alexander had gezegd "Hij was een beetje dom", steeg haar populariteit
  • Nog voordat hij de knal hoorde, was het huis al door de bliksem getroffen

Situatie 2 - een actie is niet gebeurd, maar dat moest eigenlijk wel. Ingewikkelder want in plaats van een voltooid deelwoord (participium) is er een vervangende infinitief van een modaal werkwoord (moeten, kunnen, willen, mogen). De zinnen tussen haakjes in de voorbeelden zijn niet correct, ze moeten met een dubbele infinief

  • Ik had de les moeten afzeggen (≈ ik had gemoeten de les afzeggen)
  • We hadden de trein nog kunnen halen (≈ we hadden gekund de trein halen)
  • Jij had mij nog iets willen vertellen, toch? (≈ jij had gewild mijn nog iets vertellen, toch?)
  • Zij hadden ons dat wel eerder kunnen vertellen (≈ zij hadden gekund ons dat eerder vertellen)

Situatie 3 - er is een actie waarvan je spijt hebt of anders had kunnen lopen, vaak in combinatie met maar

  • Oh, was ik maar bij moeder thuisgebleven
  • Had ik dat nou maar anders aangepakt
  • Als ik naar taalles was gegaan, dan had ik dit geleerd
  • Zij had het examen niet gehaald, als we haar niet hadden geholpen
  • Had dit nou maar gezegd

Extra

Bij Kim (link B. hieronder) zag ik nog een voorbeeld dat niet zo goed past in het bovenstaande, de beleefde ober of winkelbediende:

  • Had u nog iets anders gehad willen hebben?
  • Had u nog iets anders gewild?
  • Had u nog iets willen bestellen?