Perfectum - voltooid deelwoord
Taaldeelnemers die ik ontmoet, kennen het woord perfectum. Ik weet niet waar ze het hebben opgepikt. Wij leerden vroeger de voltooid verleden tijd. In het begin probeerde ik die term ook bij taaldeelnemers maar hij blijkt te lang. Bovendien is hij een beetje verwarrend door het woord tegenwoordig voor iets wat in het verleden speelt. Het tegenwoordig in het perfectum wil niet zeggen dat de zin iets over het heden zegt maar dat er een hulpwerkwoord (hebben, zijn) in staat dat in de tegenwoordige tijd staat: heb gedaan, ben geweest etc.
Het belangrijkste werkwoord uit de zin in het perfectum is het voltooid deelwoord: gedaan, gelopen, gebeurd (met een d), verloren, gewonnen, gedeeld, voltooid, etc. Het gaat samen met een ander werkwoord: heeft gedaan, heeft gelopen, is gebeurd, wordt voltooid, werd gedeeld. Ik heb een linkje over welk werkwoord je gebruikt: zijn of hebben. Daar zijn regels voor. Bekijk het filmpje met die regels of pak link A. onderaan de bladzijde. In dat filmpje zit ook een tekeningetje met de werkwoorden die een verandering aangeven en de werkwoorden met beweging.
De regels uit het filmpje
- Een vorm met hebben komt vaker voor dan een vorm met zijn (80%-20%)
- Hebben gaat met hebben en zijn gaat met zijn: jij hebt gehad, jullie zijn geweest
- De volgende woorden gaan altijd met zijn: beginnen, blijven, gaan, komen, worden. Ik ben begonnen, jij bent gebleven, hij is gegaan, wij zijn gekomen, jullie zijn geworden.
- Een verandering van situatie gaat met zijn: het is geboren, wij zijn getrouwd, ik ben gegroeid, zij zijn vertrokken/verhuisd/geëmigreerd
- Woorden van beweging zijn bijzonder. Lopen, fietsen, rijden, varen, zwemmen, vliegen, wandelen. Zij gaan met zijn òf met hebben en daar is een regel voor: is er een doel of richting (dus met van of naar), dan met zijn en anders met hebben.
- Ik ben naar de stad gefietst - Ik heb vanmiddag lekker gefietst
- Ik ben naar Utrecht gereden - We hebben vandaag in de auto gereden
- Ze zijn met de Titanic naar Amerika gevaren - We hebben bootje gevaren
ott, ovt, vtt, vvt
Een zin staat in de voltooid tegenwoordige tijd (vtt, perfectum), als er een tegenwoordige tijd gebruikt wordt naast het voltooid deelwoord: ik heb gelopen, het wordt gedeeld.
Een zin staat in de voltooid verleden tijd (vvt, plusquamperfectum) als er een verleden tijd wordt gebruikt naast het voltooid deelwoord: ik had gelopen, het werd gedeeld.
Als er geen voltooid deelwoord is gebruikt, staat de zin in een onvoltooide tijd. Dat kan een onvoltooid tegenwoordige tijd (ott, presens) zijn: ik loop.
Anders is het een onvoltooid verleden tijd (ovt, imperfectum): ik liep. Dat is dus geen voltooide tijd, ook al is de actie al achter de rug.
Onvoltooid deelwoord
Naast het voltooide deelwoord bestaat er ook het onvoltooide deelwoord: lopend, pratende enz. In het Engels wordt het voortdurend gebruikt: doing, driving, moving enz. Zij zeggen: 'ik ben rijdende mijn auto', terwijl wij zouden zeggen: 'ik rijd auto'.
Meestal zijn we daar helemaal niet mee bezig. Maar het viel me op dat Arabisch sprekenden soms de neiging hebben om die Engelse zinsbouw te gebruiken.
Schema
Omdat ik zelf het beste leer door dingen te zien, heb ik maar een schema gemaakt van de tijden. De uitleg is telkens dat een voltooide tijd voltooid is, niet omdat het in het verleden speelt maar omdat er een voltooid deelwoord in de zin staat. Het hulpwerkwoord bepaalt vervolgens of het een tegenwoordige of een verleden tijd is. Is er geen voltooid deelwoord, dan is het één van de onvoltooide tijden. Moeilijker dan dit is het niet. Ik gebruik mijn schema bij de les om aan te wijzen in welk vakje de zin thuishoort.
Gebruik o.v.t. tegenover v.t.t.
Taaldeelnemers klagen erover dat het niet duidelijk is wanneer je de o.v.t. gebruikt en wanneer de v.t.t. Toen ik erbij stilstond, kon ik niet een regel bedenken. Ik heb die in ieder geval niet geleerd. Er is wel iets over te zeggen en dat staat op een andere pagina.